Wanneer een gemeente bijzondere bijstand verstrekt aan een inwoner in de vorm van een geldlening, moet de inwoner dit terugbetalen zonder rente. Bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt wanneer het gaat om kosten waarvoor het (bijstands-)inkomen toereikend en passend was geweest. Door omstandigheden heeft de inwoner echter hier niet voor gespaard.
Een andere situatie waarin bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt is als ten tijde van de aanvraag duidelijk of te verwachten is dat er een aanspraak bestaat op middelen, waarover de inwoner op dit moment niet kan beschikken. Denk daarbij aan een erfenis die nog niet tot uitbetaling is gekomen, of een rechtszaak die de inwoner heeft aangespannen waarbij een eis tot vergoeding van loonderving is ingediend (na een ongeval met blijvend letsel). Van belang is dat er wel (een aanspraak) op middelen bestaat, maar daar kan de inwoner redelijkerwijs nog niet over beschikken.
In de Participatiewet staan geen algemene regels beschreven hoe de terugbetaling (= aflossing) zou moeten plaatsvinden. Behalve in artikel 51 lid 2 van de Participatiewet, waarin staat dat de gemeente bij de aflossing van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen rekening moet houden met de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de inwoner. Hierbij mag je aannemen dat deze regel ook geldt in andere situaties waarin bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening.
Gemeenten mogen zelf de looptijd van de lening bepalen. Bijna alle gemeenten hanteren daarvoor een termijn van 36 maanden.

De gemeente hanteert een aflossingstijd van 36 maanden. Na deze periode zal de gemeente het restant van de lening (= schuld) kwijtschelden wanneer:
De gemeente zal niet kwijtschelden wanneer: