Loonkostensubsidie (LKS) is een tegemoetkoming voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking in dienst hebben. De subsidie die de werkgever ontvangt staat gelijk aan het verschil tussen het wettelijk minimumloon (WML) en de loonwaarde van de werknemer. De loonwaarde is de waarde van de arbeidsprestatie van een werknemer in een bepaalde functie op een bepaald moment, vergeleken met de arbeidsprestatie van een werknemer zonder arbeidsbeperking in dezelfde functie. De loonwaarde wordt bepaald door een loonwaardespecialist. LKS wordt aan de werkgever betaald in de vorm van een subsidie vanuit de gemeente. Zo fungeert LKS als een compensatie voor de verminderde loonwaarde van een werknemer.
De maximale hoogte van LKS is 70% van het wettelijk minimumloon (inclusief VT). Dit wil zeggen dat wanneer een werknemer een loonwaarde heeft van 30%, de gemeente maar tot 70% van het WML verstrekt als LKS aan de werkgever. Indien er sprake is van een loonwaarde die lager is dan 30% WML behoort de persoon niet thuis in de doelgroep. Het verschil tussen het CAO-salaris en het bedrag van de loonkostensubsidie blijft voor rekening van de werkgever. Dit geldt dus ook voor situaties waarin een werkgever meer dan het WML aan salaris betaalt (Participatiewet, art. 10d, lid 4). In aanvulling op LKS ontvangen werkgevers een tegemoetkoming in de werkgeverslasten voor dat deel dat LKS wordt verstrekt. Deze tegemoetkoming bedraagt 23% van de LKS (Participatiewet, art. 10d, lid 4).
Het kan zijn dat nog niet duidelijk is wat de loonwaarde is van een nieuwe werknemer ten opzichte van een gemiddelde collega zonder beperkingen die dezelfde werkzaamheden verricht (de maatman). In dat geval kan gekozen worden voor de constructie dat er een forfaitaire LKS wordt toegepast. Vaak voor de duur van een half jaar, waarna de loonwaarde op de werkplek kan worden vastgesteld. Die kan hoger of lager uitvallen dan de forfaitaire LKS.
De berekening van de hoogte van LKS is afhankelijk van een aantal factoren:
Klik hier voor meer informatie over loonkostensubsidie.
Stel een werknemer heeft een loonwaarde van 50%. Dit betekent dat hij 50% levert van de prestatie van een werknemer zonder arbeidsbeperking, in dezelfde functie, binnen dezelfde tijd. Zijn WML wordt voor 50% betaald door zijn werkgever en voor 50% door de gemeente. Het voordeel voor de werkgever is hier dat hij alleen betaalt voor de daadwerkelijke productiewaarde van de werknemer. Het voordeel voor de gemeente is dat nu maar 50% van de loonwaarde van een werknemer betaald hoeft te worden, in plaats van 100% uitkering.

De loonwaarde is het percentage van de verdiencapaciteit van een persoon met een arbeidsbeperking ten opzichte van een gemiddelde werknemer zonder arbeidsbeperking, die dezelfde taken uitvoert, binnen dezelfde tijd. Een loonwaardemeting kan alleen plaatsvinden bij het bedrijf waar de werknemer werkt middels proefplaatsing of tijdens een periode van forfaitaire LKS. De uiteindelijke loonwaarde wordt samen met de werknemer en werkgever vastgesteld. Je kijkt dus naar de prestatie van een werknemer met een arbeidsbeperking ten opzichte van de ‘norm’.
Om de totale arbeidsprestatie (= loonwaarde) te berekenen, telt de loonwaardedeskundige de arbeidsprestaties van de taken bij elkaar op. In onderstaande figuur is de totale arbeidsprestatie 63,34% ten opzichte van de normfunctie.
