Herzien van een uitkering vindt plaats wanneer blijkt dat het recht op of de hoogte van de bijstand achteraf anders had moet worden vastgesteld. Dan herziet de gemeente het recht. Dat is bijvoorbeeld wanneer achteraf blijkt dat er inkomsten waren die niet zijn gemeld of achteraf blijkt dat het jongste kind 18 jaar is geworden (waardoor het vermogen en de vermogensvrijlating opnieuw dient te worden vastgesteld) en het vermogen is niet opnieuw vastgesteld.
Het intrekken van het recht gebeurt wanneer bijvoorbeeld blijkt dat iemand langer dan toegestaan in het buitenland is geweest. Dan trekken we het recht in over de periode dat iemand geen rechthebbende meer was (vanwege verblijf in het buitenland langer dan de toegestane periode).
Een beëindiging vindt altijd op zijn vroegst in het hier en nu plaats. Je beëindigt de uitkering op de datum dat je dit in het systeem van de gemeente verwerkt en de beschikking naar belanghebbende stuurt.
Het kan dus zijn dat achteraf blijkt dat iemand is gaan samenwonen met een partner met voldoende inkomen en dit niet (op tijd) heeft gemeld. Dan wordt het recht op bijstand herzien met ingang van datum samenwoning. De inhoud van de herziening is dat het recht op bijstand wordt ingetrokken met ingang van de datum van samenwonen. De terugvordering is het gevolg van de herziening van het recht. De beëindiging van de uitkering vindt plaats per datum van de beschikking. Stel dat er niet voldoende inkomsten zijn, dan luidt de herziening dat de norm wordt gewijzigd met ingang van datum samenwoning naar de norm samenwonenden. De terugvordering betreft dan alleen de korting van het inkomen van de partner.
Los daarvan speelt daarnaast ook de vraag of er sprake is van het schenden van de Inlichtingenplicht (artikel 17 lid 1) dat boetvaardig gedrag is. Uiteraard moet naar de verwijtbaarheid daarvan nader onderzoek plaatsvinden.
