Dit artikel beschrijft de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en sociale activering van mensen met een bijstandsuitkering. Primair doel is immers dat mensen zo snel mogelijk weer zelfstandig in hun inkomen kunnen voorzien en uitstromen uit de bijstand.
Kort samengevat komt artikel 9 erop neer dat mensen al het mogelijke in het werk moeten stellen om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan. Dat houdt onder meer in dat ze mee moeten werken aan activiteiten gericht op het verbeteren van hun kansen op werk. Wij noemen deze verplichtingen de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. De geüniformeerde arbeidsverplichtingen staan in artikel 18 Participatiewet, evenals de maategelen die van toepassing zijn wanneer aan deze verplichtingen niet wordt voldaan. Het gaat om de volgende plichten:
a. het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
b. het uitvoering geven aan een door het college gegeven opdracht om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau
c. het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen
d. bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
e. bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan;
f. het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
g. het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;
h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Omdat deze verplichtingen een essentieel onderdeel zijn van de verplichtingen verbonden aan het ontvangen van een bijstandsuitkering zijn de maatregelen bij niet naleving ook evenredig zwaar. Het niet naleven kan leiden tot een korting van tot wel 100% van de bijstandsuitkering, gedurende 1 tot 3 maanden. Daarbij gaat het dan wel al snel om het verwijtbaar niet aanvaarden of verliezen van betaald werk. Gelet op de zwaarte van de maatregel dient de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging meegenomen te worden in het bepalen van de hoogte van de maatregel. De bewijslast ligt dan ook bij de gemeente. Gemeenten leggen de hoogte van dit vast in hun verordening.
Tegenprestatie
Veelbesproken is het onderwerp Tegenprestatie in de Participatiewet. De opdracht aan het college tot het inregelen van de tegenprestatie is vastgelegd in artikel 7 lid c Participatiewet en in artikel 8a Participatiewet dat de raad daarvoor een verordening dient op te stellen.
Wat onder een tegenprestatie wordt verstaan is terug te vinden in artikel 9 lid 1 sub c Participatiewet. Personen met een bijstandsuitkering die (nog) niet in staat zijn tot het verrichten van betaalde arbeid, moeten een tegenprestatie leveren. Dat houdt in dat de persoon door de gemeente opgedragen maatschappelijk nuttige activiteiten moet verrichten als tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Deze tegenprestatie geldt voor beide partners. De verplichting geldt niet voor personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. En ook wanneer de persoon al als vrijwilliger actief is, kan dit worden aangemerkt als tegenprestatie. Het college kan de bijstandsgerechtigde persoon tijdelijk ontheffen van deze verplichting indien hiervoor dringende redenen aanwezig zijn.
1. Er mag bij het uitvoeren van de tegenprestatie geen sprake zijn van verdringing van betaalde arbeid.
2. Het gaat om het verrichten van onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden (in aanvulling op of naast reguliere arbeid).
3. De urenomvang is beperkt, waardoor iemand voldoende tijd over heeft om te zoeken naar en solliciteren op een betaalde baan.
