Wie een bijstandsuitkering wilt aanvragen moet de Nederlandse taal voldoende beheersen. Dit is de Wet Taaleis. Wie de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voldoet niet aan de Wet Taaleis en moet de Nederlandse taak leren. De Wet Taaleis is inwerking gezet omdat het voldoende beheersen van de Nederlandse taal noodzakelijk is voor arbeid en het mee kunnen participeren in de samenleving. Wie de Nederlandse taal onvoldoende beheerst zal niet snel uitstromen uit de bijstand. De afstand tot werk is dan namelijk te groot.
De Wet Taaleis is voor iedereen die de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Dit zijn niet alleen nieuwkomers of anderstalig ook Nederlanders die de taal niet op 1F niveau beheersen moeten voldoen aan de bijstand. Het geldt dus ook voor het ‘zittend’ bestand. Het ‘zittend ‘bestand zijn de inwoners die al een uitkering ontvingen.
Iemand beheerst de Nederlandse taal voldoende als die referentieniveau 1F/ A2 heeft. Dit is ongeveer gelijk aan groep 8 niveau.
Wie niveau 1F heeft kan korte, eenvoudige teksten lezen en begrijpen. Niveau 1 F toets ook op: spreek-, luister-, lees-,gesprek- en schrijfvaardigheid
De bewijslast ligt altijd bij de bijstandsgerechtigde. Die moet aantonen dat die aan de wet taal eis voldoet. Lukt dat niet? Dan moet er een taaltoets worden afgenomen.
Je voldoet aan de wet taaleis als je:
Als een inwoner niet kan aantonen dat hij of zij voldoet aan de taaleis, moet hij of zij een taaltoets afleggen. Als de inwoner de taaltoets haalt voldoet deze aan de Wet Taaleis.
Als de inwoner de taaltoets niet haalt moet deze een taaltraject volgen. De inwoner krijgt een inspanningsverplichting opgelegd. Hij of zij moet actief bezig zijn om de taal te verbeteren. Weigert de inwoner een taaltraject te volgen dan kan de bijstand met 20% worden verlaagd (dit is een maatregel).
De gemeente moet de voortgang volgen. Er zijn geen duidelijke afspraken gemaakt over hoe de voortgang wordt gemeten en hoe de gemeente moet beoordelen of de inwoner voldoende inspanning levert. Elke gemeente kan dus andere meetinstrumenten/beleid hebben over hoe te voortgang en inspanning wordt gemeten. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van: presentielijsten, leraren, toetsen zelfbeoordeling etc.
Indien uit het voortgangsonderzoek blijkt dat de inwoner onvoldoende inspanning heeft geleverd om zijn taalniveau te verbeteren. Bijvoorbeeld door (bijna) nooit op de taallessen te verschijnen. Dan kan de inwoner een maatregel opgelegd krijgen. De eerste keer wordt de bijstand verlaagd met 20%. Na 6 maanden (en weer geen inspanning geleverd) kan de bijstand worden verlaagd met 40%. Als na een jaar blijkt dat de inwoner nog steeds geen inspanning verricht dan kan de bijstand met 100% worden verlaagd. De inwoner ontvangt dan geen bijstand totdat die aan de inspanningsverplichting voldoet.